Bladwijzer en delen

Share/Bookmark

Over de auteurs

Johan Van Overtveldt

Johan Van Overtveldt (1955) is algemeen directeur van VKW en doctor in de toegepaste economische wetenschappen. Hij publiceerde diverse boeken, zoals o.m. 'Maandag geen economie meer?' en 'Bernanke's test'.

 


Geert Janssens

Geert Janssens (1968) is project manager bij VKW Metena en is licentiaat-doctorandus in de Economische Wetenschappen alsook Master in Corporate Finance. Hij publiceerde vooral rond macro-economische onderwerpen en de werking van de arbeidsmarkt.

 


 

Commissie vergrijzing krijgt steeds meer grijze haren
Geschreven door Johan Van Overtveldt, Geert Janssens   
maandag, 12 juli 2010 00:00

In een artikel in De Tijd van 10 juli leggen  Johan Van Overtveldt en Geert Janssens uit hoe de Vergrijzingscommissie de kosten van de vergrijzing chronisch onderschat.

Naar jaarlijkse gewoonte stuurt de Studiecommissie voor de Vergrijzing het land in vakantie met de geruststellende gedachte dat er tenminste nog één instantie is die waakt over de betaalbaarheid van de toekomstige pensioenen. Sinds 2002 doet ze dat op basis van een verslag dat de omvang van de vergrijzingkosten projecteert naar de (verre) toekomst. Minutieus worden op basis van allerlei parameters goed gedocumenteerde scenario's uitgewerkt. Of mag daar twijfel over bestaan?

Men kan niet om de vaststelling heen dat de Studiecommissie voor de Vergrijzing op één punt consequent én consistent overkomt: de geprojecteerde kosten van de vergrijzing worden chronisch onderschat. In bijgaande tabel vergelijken we de projecties uit het allereerste rapport van 2002 met die uit de recentste editie. De totale vergrijzingkosten slorpten in 2000 al 22,2 procent op van de toenmalige welvaart (gemeten aan de hand van de omvang van het bruto binnenlands product, bbp). Vandaag verwacht de commissie dat de vergrijzingkosten tegen 2030 verder zullen oplopen tot 29,2 procent van het bbp. In 2002 dacht men dat dat percentage tegen die tijd zou oplopen tot slechts 24,7 procent. Dat verschil van 4,5 procentpunten van het bbp komt uitgedrukt in huidige euro's neer op 14,8 miljard euro meerkosten.

De tabel toont ook dat op basis van de huidige scenario's de toename van de vergrijzingskosten tussen 2000 en 2030 exact 7 procentpunten van onze welvaart zal bedragen (29,2 minus 22,2). Opnieuw in huidige welvaartstermen gemeten, gaat het om een factuur van 22,9 miljard euro. Die factuur is uiteraard een meerkost boven op de bestaande uitgaven, die vandaag meer dan 83 miljard euro belopen.

In 2005 publiceerde VKW Metena een rapport (*) waarin heel expliciet verwezen werd naar het gevaar dat de kostenprojecties van de Studiecommissie snel door de realiteit achterhaald zouden worden. Onder meer stond toen al in de sterren geschreven dat het scenario voor de kosten inzake gezondheidszorg naar de prullenmand mocht worden verwezen. Het deel van onze welvaart dat we vandaag al betalen aan gezondheidszorg (meer dan 8,2 procent van het bbp) werd in 2002 geprojecteerd voor het jaar 2030. Uiteraard had de kostenexplosie in de gezondheidszorg, die vooral onder de regeringen Verhofstadt I en II plaatsvond, weinig te maken met de vergrijzing op zich, maar dat neemt niet weg dat ze zich wel heel reëel voordeed.

Een structureel probleem met de berekeningen van de Vergrijzingscommissie betreft het zich bedienen van veel te optimistische parameters. Het gevolg is dat de basishypotheses reeds in de periode 2002-2010 compleet onderuit werden gehaald.

WERKLOOSHEID

Zo werd de structurele werkloosheidsgraad, aanvankelijk geprojecteerd op 7,5 procent, inmiddels bijgesteld naar 8 procent van onze beroepsbevolking. Voorzichtigheidshalve houdt men het in de periode 2009-2015 nog even op. 13 procent, het gemiddelde van het aflopende decennium.

Ook inzake het sociaal beleid heeft men het prijskaartje zwaar onderschat. We wezen reeds op de niet ingecalculeerde kostenexplosie in de gezondheidszorg. Maar ook in de private pensioenstelsels stegen de uitgaven sinds 2002 veel sneller dan voorzien. Hier verkeek de commissie zich a rato van 1,5 procent van het bbp, omgerekend 5 miljard euro.

De verwachte productiviteitswinsten nemen een cruciale plaats in bij de kostenberekeningen. De productiviteit in de economie is niet enkel bepalend voor de groei van het inkomen per capita, maar ook een doorslaggevende determinant van het internationaal concurrentievermogen van onze economie. De commissie ging in 2002 uit van een gemiddelde productiviteitsgroei van 1,75 procent op jaarbasis. Omdat historische data die teruggaan tot 1913 een gemiddelde jaarlijkse productiviteitswinst van 2 procent aangeven, leek dat een vrij conservatieve aanname. Er werd evenwel voorbijgegaan aan het feit dat de Belgische productiviteitsgroei al voor de eeuwwisseling systematisch terugliep. In de periode 1982-1990 bedroeg ze nog slechts 1,8 procent, om in het laatste decennium voor de eeuwwisseling te stranden op 1,66 procent.

Die negatieve tendens werd helaas doorgetrokken. In de periode 2000-2007 zakte onze productiviteitsgroei verder onderuit tot 1,1 procent om vervolgens in 2008 en 2009 als gevolg van de financiële crisis zelfs te krimpen met respectievelijk 1,0 en 2,6 procent. Het aanvankelijk door de commissie vooropgestelde cijfer van 1,75 procent werd ondertussen noodgedwongen doorverwezen naar het meest gunstige scenario. Het basisscenario gaat nu uit van een groei van 1,5 procent.

HOOGCONJUNCTUUR

Een systematische overschatting van de productiviteitsgroei sijpelt onvermijdelijk door naar de economische groeiverwachtingen, die bijgevolg in het recentste rapport ook aan de hoge kant blijven liggen. Een gemiddelde groei van 2 procent voor de periode 2009-2015 roept het beeld op van een snelle terugkeer naar hoogconjunctuur. Maar ook de 1,8 procent vanaf 2015 lijkt onrealistisch hoog. Een rapport van de OESO met groeiverwachtingen op langere termijn dicht ons land een gemiddelde jaarlijkse groei van amper 0,6 procent toe voor de periode 2012-2017, een weliswaar ongewoon lage inschaling. Als we de verwachtingen van de OESO doortrekken, dan zullen we in 2015 over 22 miljard minder welvaart beschikken dan de commissie in haar basisscenario voorspelt. Het spreekt voor zich dat de kosten van de vergrijzing in een dergelijk scenario relatief zwaarder doorwegen. Volgens het recentste rapport van de commissie zouden die in 2015 oplopen tot 26,6 procent van onze welvaart. Maar als ons bbp groeit in het tempo dat de OESO in het vooruitzicht stelt, dan zal dat aandeel stijgen tot minstens 28 procent. Dat is het niveau waar ze volgens de commissie pas in 2020 zouden mogen liggen.

De conclusie van dit rekenwerk is dat de scenario's jaar na jaar worden bijgespijkerd, maar dat men desondanks achter de feiten blijft aanlopen. Toch mogen we de Studiecommissie voor de Vergrijzing niet overladen met alle zonden van Israël. Ze doet haar werk, zoals haar wordt opgedragen door het beleid.

Datzelfde beleid ziet daarmee echter de kans schoon om vrijblijvend de andere kant op te kijken. Ondertussen zijn we bijna tien jaar verder en is het oorspronkelijk comfortabele gevoel van controle ver zoek. De aanvangshypothesen van de commissie uit 2002 waren immers niet eens zo gek. Aan het begin van het decennium mochten we nog veronderstellen dat de toenmalige bewindslui de beschikbare beleidsopties zouden aangrijpen om de vergrijzingskosten beheersbaar te houden. Met het Generatiepact als enige en magere uitschieter is daar echter weinig van in huis gekomen.

Het is dus niet zozeer uitkijken naar het volgende rapport van de Vergrijzingscommissie - dat de kostenteller weer hoger zal laten afklokken - maar wel naar de daden van het beleid.

*Geert Janssens en Johan Van Overtveldt - Wie zal de betaalbaarheid van de vergrijzing betalen? - VKW Metena discussienota, juni 2005.

 

Reacties

Naam *
Code   
Voeg reactie toe
 

VKW, het Ondernemersplatform

VKW is een uniek onafhankelijk netwerk van 4.000 geëngageerde leden, een platform waar u als ondernemer terecht kunt om met collega-ondernemers samen te komen en samen te werken.

 

VKW activiteiten

GebruiksvoorwaardenDisclaimer & privacyCopyright © VKW Metena 2010