| De vergrijzing anders bekeken |
| Geschreven door Stijn Decock |
| donderdag, 19 augustus 2010 07:47 |
|
Het vergrijzingsprobleem bestuderen stemt een mens niet bepaald vrolijk. Zoals u hier al meermaals kon lezen, staat België er absoluut niet goed voor. De overheidsschuld tornt opnieuw boven de 100% van het bbp, reserves zijn er nauwelijks aangelegd en het toekomstige groeipad is door de beleidsmakers al jaren serieus overschat. En op de koop toe lijken beleidsmakers nog altijd niet van plan snel te handelen. Wellicht komt dat omdat veel mensen het probleem nog altijd niet goed begrijpen. Hier een poging het eens op een andere manier te belichten. Je kan vele oorzaken bedenken waarom het vergrijzingsprobleem al jaren stiefmoederlijk behandeld wordt. ‘Politici denken slechts tot aan de volgende verkiezingen’, ‘geld uitdelen is populairder dan geld besparen’, ‘teveel lobbygroepen hebben er belang bij dat niets verandert’, ‘voor de pers is dit probleem niet sexy genoeg’… zijn de meest voor de hand liggende verklaringen. Wellicht is ook de grote complexiteit en het abstracte karakter van het dossier een reden dat de publieke opinie en de politiek de voorbije 10 jaar niet erg warm liepen voor de vergrijzingproblematiek. Afhankelijkheidsratio, primair saldo, lager groeipad, samenstelling van een bbp … zijn begrippen waar de doorsnee burger zich weinig bij kan inbeelden. Vooral omdat het vergrijzingsprobleem een zeer traag maar resoluut voortschrijdende verslechtering is van bovenstaande indicatoren. Het andere uiterste is er een van totaal pessimisme, ‘het gaat allemaal naar de vaantjes’; een reactie die ik vooral ontwaar bij collega-economen die het probleem in detail onderzocht hebben. Land zonder geldIs er een andere en eenvoudigere manier om de zaken en oplossingen voor te stellen? Hier een poging waar de nadruk ligt op wat de essentie van een economie en land is: de som van alle gepresteerde arbeid van de inwoners ten opzichte van het totaal aantal behoeftes. Stel, zeer hypothetisch, een land voor dat geen geld hanteert. In plaats van geld gebruikt het land 'werkpunten' als ruileenheid. Een werkpunt stemt overeen met een uur werk van een onervaren en niet-gediplomeerde werknemer. Naar gelang de ervaring, de opleiding of de ondernemerszin, stijgt het aantal werkpunten. Een ervaren burgerlijk ingenieur zal bijvoorbeeld 10 werkpunten krijgen voor een uur werk, omdat zijn toegevoegde waarde 10 keer hoger ligt. Die werkpunten kunnen ingeruild worden tegen materiële goederen of diensten. De waarde van die producten stemt dan overeen met het aantal uren arbeid dat erin kroop. Een wagen kost dan bv 2000 werkpunten, wat de hoeveelheid arbeid, administratie, research... weerspiegelt die in een wagen steekt. Wie een eigen succesvol bedrijf heeft strijkt bonuswerkpunten (in de mate van het succes van het product) of werkpunten die hij kan inruilen tegen kapitaalgoederen waarmee hij in de toekomst nog meer punten kan verwerven. Iedere werknemer dient wel werkpunten af te staan aan de staat. Daarmee betaalt de overheid haar eigen werknemers, infrastructuurwerken en mensen die niet meer kunnen of hoeven te werken, bijvoorbeeld omdat ze te oud zijn. Zij krijgen dan van die overheid iedere maand werkpunten die ze kunnen inruilen tegen goederen en diensten. Ze kunnen die ook aanvullen met de surplus werkpunten die ze in hun leven hebben bijeengespaard. Lage werkgelegenheidsgraadOns fictief land, dat goed op België gelijkt maar waar dus geen geld circuleert, heeft een aantal problemen. Slechts 60% van wie zou kunnen werken, werkt. Bovendien gaan er nogal veel werkpunten naar de overheid, omdat die niet zo efficiënt functioneert. Tot slot heeft de overheid in het verleden veel te veel werkpunten rondgestrooid waardoor haar burgers nog heel wat werkpunten dienen te verwerven voor die overheid of reeds opgespaarde werkpunten dienen af te staan. Laten we nu op ons fictief land 'de vergrijzing' inwerken. In ons voorbeeld betekent dit dat de groep die werkpunten kan realiseren afneemt en de groep die oud wordt en maandelijkse werkpunten nodig heeft, stijgt. De vraag is nu, als je de zaken dus niet in geld maar in werkpunten aan een beleidsmaker voorstelt, het vergrijzingsprobleem makkelijker te vatten valt? En vooral dat de te nemen maatregelen nog duidelijker zijn. Werkgelegenheidsgraad optrekkenVooreerst lijkt het hier nog evidenter dat het potentieel dat niet op de arbeidsmarkt zit maar eigenlijk wel werkpunten kan verdienen, geactiveerd moet worden. Stel dat je die werkgelegenheidsgraad van 60% naar 75% kan optrekken, dan verdient het land heel wat extra werkpunten die het kan aanwenden voor de groter wordende groep ouderen die werkpunten nodig heeft. Een tweede manier om het aantal werkpunten te verhogen is de kwaliteit van puntenverdieners op te trekken. Wanneer we iemand beter scholen of efficiënter inzetten kan zijn uur arbeid efficiënter en productiever worden en zal hij voor dat uur 5 punten krijgen in plaats van 3. Dus investeren in opleiding en onderwijs komt het vergrijzingsprobleem ten goede. Ook de overheid, die in ons fictief land heel wat werkpunten opslokt, kan het ook met minder waardoor ze op minder punten beslag moet leggen. Een bijkomend probleem in ons land is dat oudere werknemers er te vroeg de brui aan geven, vaak omdat men de stress niet meer aankan, ze teveel werkpunten kosten ten opzichte van wat ze nog kunnen realiseren of dat ze fysiek niet meer in staat zijn om zware arbeid te verrichten. Toch zou die groep nog heel wat punten kunnen opleveren. Daarom is het heel belangrijk om banen te creëren die geschikt zijn voor die oudere werknemers. We zouden een lijst kunnen maken van jobs waar we vooral die groep die te vroeg uittreedt zich kan inzetten en die op maat van hun leeftijd gemaakt zijn: oudere leraars die niet meer voor de klas staan maar jonge leraars wel bij verbeteren, alle jobs in de verzorgingssector die niet te zwaar zijn, door niet-hulpbehoevende ouderen laten uitoefenen, uitloopbanen in de privé-sector creëren... We zouden de punten die we aan de gepensioneerden ook gerichter kunnen geven. Ervoor zorgen dat ze met het basispakket een standaard welvaart kunnen verkrijgen met de nadruk op diensten en goederen die het land in grote mate zelf produceert zoals gezondheidszorg, behuizing, communicatie, openbaar vervoer... We moeten de efficiëntie in die sectoren nog gevoelig opdrijven. Voor andere luxe moeten ze hun opgespaarde punten hanteren. De slotsom van deze benadering is dat het vergrijzingsprobleem oplosbaar is; dat dit land voldoende werkpunten kan realiseren om een welvarend en rijk land te blijven. Maar daarvoor moeten we het potentieel aan werkpunten veel beter benutten door mensen te activeren en de productiviteit en de efficiëntie te verhogen in alle lagen van de economie. Misschien dat deze zienswijze beleidsmakers kan inspireren een positief maar toch dwingend discours te hanteren. |
Reacties
Korte reactie: de "business" in Vlaanderen focusseert nogal dikwijls op : kosten sparen. In USA (waar ik veel geweest ben): meer verkopen. In de Vlaamse benadering passen die dure gasten dus minder of helemaal niet. In USA kom je in veel jobs 70-ers tegen!
Wat ik hier niet beweer: in USA is alles beter...
Waarom economisten zo pessimistisch zijn heeft een simpele oorzaak: het financieringsplan voor de vergrijzing (met oa het zilverfonds) gaat uit van a) een positief rente-effect door begrotingssurplussen tussen 2000-2010 b) een impliciete daling van de vervangingsratio. Punt a is niet gerealiseerd (waardoor straks zowel de gespaarde bedragen als de interest, samen goed voor nagenoeg de helft van de destijds begrote kost), en bij punt b ontdekken we dat de pensioenen reeds zo laag zijn dat een kwart van de ouderen onder de lage inkomensgrens valt.