
Geert Janssens (1968) is hoofdeconoom bij VKW Metena en is licentiaat-doctorandus in de Economische Wetenschappen alsook Master in Corporate Finance. Hij publiceerde vooral rond macro-economische onderwerpen en de werking van de arbeidsmarkt.
| Waarom is de index nefast voor onze concurrentiekracht? |
| Geschreven door Geert Janssens |
| vrijdag, 17 juni 2011 13:28 |
|
De Nationale Bank kwam de voorbije dagen met verrassend optimistische groeiverwachtingen voor de dag. Ook onze arbeidsmarkt doet het goed en creëert dit en volgend jaar respectievelijk 41.900 en 37.400 extra banen. Maar schijn kan bedriegen, zo weet ook de Nationale Bank die het mechanisme van de automatische index openlijk in vraag durfde te stellen. Het nefaste karakter van de index volgt rechtstreeks uit het feit dat de Belgische economie sterk afhankelijk is van ingevoerde energie en grondstoffen. Prijsstijgingen op internationale markten worden snel doorgerekend en in vergelijking met de ons omringende landen doet de automatische index daar nog een schepje bovenop. De loon-prijsspiraal die alzo ontstaat, holt onze concurrentiekracht snel uit, zo berekende Geert Janssens, hoofdeconoom van VKW Metena (zie bijlage 1). Dat leidt op zijn beurt tot banenverlies waardoor de initieel verworven koopkracht via de index, weer teniet wordt gedaan. Ook de snellere stijging van het algemeen prijspeil creëert de illusie van een hogere koopkracht. De gevolgen zijn niet te onderschatten. Geert Janssens vergeleek de Belgische arbeidsmarktprestaties met die van Duitsland. Sinds 1996, het jaar van de invoering van de wet op het concurrentievermogen, stegen de Belgische loonkosten 18% sneller dan de Duitse, ook wanneer gecorrigeerd voor productiviteit. Hoewel concurrentiekracht niet enkel met loonkosten mag in verband worden gebracht, is en blijft het onmiskenbaar een belangrijke parameter voor bedrijven die opereren op internationale markten. De cijfers spreken dan ook voor zich. De Belgische exportvolumegroei lag sinds 1996 in vergelijking met Duitsland 75 procentpunten lager. Ook in termen van marktaandelengroei presteerde de Duitse economie de afgelopen 15 jaren stukken beter. Terwijl Duitsland 10% marktaandelen bij kon winnen, verloren wij 19% van onze markt. Het ultieme prijskaartje dat we betalen voor deze afbrokkelende concurrentiekracht is lagere werkgelegenheid. De tewerkstellingsgroei van de afgelopen jaren alsook de wijze waarop jobs in crisistijd konden worden gered met tijdelijke maatregelen, mag ons aldus niet verblinden. Van de bevolking op actieve leeftijd heeft bij ons slechts 63,3% een baan, zij het als loontrekkende of zelfstandige. Het verschil met Duitsland (76,2%) bedraagt bijna 13 procentpunten. In verhouding tot Duitsland telt België 874.000 jobs te weinig. Wat volgens Geert Janssens ook tot nadenken stemt is dat België de Duitse werkgelegenheidscijfers niet eens zou benaderen indien we al onze werkzoekenden aan een baan zouden helpen. Deze vaststelling zegt veel over het dynamisch karakter van de Duitse arbeidsmarkt sinds het in voege treden van de grote Hartz-hervormingen in 2005. In een recente analyse weerlegt VKW Metena de kritiek op dit Duits model alsof er enkel laag betaalde jobs zouden worden gecreëerd (zie bijlage 2). Wie het Duits model zonder meer wil afdoen als asociaal zal met hardere bewijzen moeten komen dan wat we daarover tot nu te horen kregen, zo besluit Geert Janssens. Ook het feit dat de Duitse sociale zekerheid een veel bredere betaalbasis heeft gekregen, is een aspect dat heden onderbelicht blijft. Bijlage 1 - Arbeidsmarkt achilles van het Belgisch model [PDF, 129 kB, 4 blz.] Bijlage 2: Een kritische analyse van het Duits jobwonder [PDF, 127 kB, 6 blz.] |
Reacties